© ap.
Na een halve eeuw speculatie is het raadsel van de 'wandelende rotsen' in het Amerikaanse Death Valley, de warmste plek op aarde, dan eindelijk opgelost: niet alleen de ferme wind, maar een dun laagje ijs zorgt voor de duidelijk zichtbare sporen die de stenen achterlaten.
Het zit zo: 's nachts kunnen de temperaturen in 'Racetrack Playa', een gebied in het hart van Death Valley, tot onder het nulpunt dalen. Als het dan net geregend heeft, ontstaat er een dun laagje ijs. Dat breekt vervolgens in stukken waardoor de stenen, geholpen door een briesje wind, zachtjes voortgeduwd worden. De volgende dag is het ijs door de felle zon verdwenen en ligt het gesteente meters verderop, een slepend spoor achterlatend.
Uitzonderlijk vlak
Het onderzoek, dat deze week werd gepubliceerd in het wetenschapsbladPLoS ONE1, is uitgevoerd door de oceanograaf Richard Norris en zijn neef James Norris, een ingenieur. Beiden komen uit Californië, waar de 'Racetrack Playa' zich bevindt. Het woestijngebied is 4,5 kilometer lang en twee kilometer breed. Bovendien is het uitzonderlijk vlak: het noordelijke punt ligt slechts vier centimeter hoger dan het zuidelijke. Vandaar dat de 'wandelende stenen' als mysterie werden gezien - ze konden onmogelijk over de vlakte zijn gerold.
Geologen speculeerden er de afgelopen jaren driftig op los: was het de wind? De regen? Weinigen verwachtten dat het antwoord lag in het flinterdunne ijslaagje dat de bodem rondom de rotsen in de nachtelijke uren bedekt.